GELOOF IN BEELD


De oude gebedshouding
  

Vroeger leerden de katholieken om met de ogen dicht te bidden, geknield en de handen gevouwen. Dit in tegenstelling tot de oude kerk. In de derde eeuw zegt de kerkvader Origenes: ‘Er zijn allerlei gebedshoudingen, maar die waarbij de handen uitgebreid en de ogen naar boven worden gericht, dient de voorkeur.’ Een blik naar boven, waar volgens de bekende voorstelling God in de hemel woont, vergezelde vaak het gebed. Jezus zelf gaf het voorbeeld. Bij het broodwonder nam hij de vissen en broden, sloeg zijn ogen op naar de hemel en sprak het zegengebed uit (Mt. 14,19). Bij de consecratiewoorden wordt van Jezus gezegd dat hij het brood in zijn handen nam, opzag naar de hemel en het dankzeggend zegende.

 

Bij de meest voorkomende gebedshoudingen in de oude kerk werden de handen opgeheven en de ogen naar de hemel gericht. In vroege fresco’s en mozaïeken komt een orante (biddende vrouw) voor. Ze wordt staande afgebeeld, de armen uitgespreid en meestal kijkend in de hoogte. Dit wordt de orantenhouding genoemd. Bij dank- en smeekgebed symboliseert ze de openheid en ontvankelijkheid voor God. De heiligenlevens geven ons talrijke voorbeelden. Over Maria van Egypte (rond 400) wordt verteld dat ze met moeite de Jordaan was overgestoken om in de woestijn aan te komen, ‘Ze wendde zich toen naar het oosten, hief haar ogen naar de hemel, strekte haar handen uit en begon fluisterend te bidden: Ik dank U van ganser harte, almachtige Vader, want U hebt me veilig  hierheen geleid.’ In de akten van Franciscus van Assisi wordt gezegd dat hij ’s nachts uit zijn bed opstond en begon te bidden met opgeheven hoofd, opgeheven handen en de ogen op God gericht.

 

In de liturgie van de oude kerk was het staan de meest gepraktiseerde gebedshouding. Het concilie van Nicea (325) schreef voor dat de gelovigen op zondag en tijdens de hele paastijd moesten staan als herinnering aan de opstandig van Christus, waaraan ze participeerden. Wel werd er zowel in de liturgie als privé geknield als een teken van onderwerping en eerbetoon aan God. Zitten tijdens de eucharistische dienst door de gewone kerkgangers kwam tot in de middeleeuwen maar nauwelijks voor, omdat er nog geen kerkbanken waren, maar wel was er een zetel voor de voorganger. Ook waren er in abdijen en later in kathedralen koorbanken, waar de getijden werden gebeden. Het vouwen van de handen was gebruikelijk, maar met ineengestrengelde vingers dateert van veel latere tijd. Als we de geschiedenis van de lichaamstaal van gebedshoudingen overzien, blijkt de zogenaamde orantenhouding zeker vroeger zeer gangbaar en geliefd te zijn.

 

Toon Brekelmans

Kerkhistoricus

<Terug naar boven>


Powered © webcentre | Webmaster: Ton de Hoogt